Thuis

Bij methode VAVO-Basiswoordenschat Spaans 3 aangemaakt op 08-12-2022 door SpaansVAVO en inmiddels 133 keer bekeken.
Niveau: vmbo-t/volwassenenonderwijs

Vragen

la casa = het huis
Voy [a casa]. = Ik ga [naar huis].
en casa = thuis
la casa adosada = het rijtjeshuis
la casa de campo = het huis op het platteland
el apartamento = het appartement
el departamento = het appartement, de flat
el piso = het appartement, de woning
la planta, el piso = de verdieping, de etage
la planta baja = de begane grond
el edificio = het gebouw
"el arquitecto -\"la arquitecta\"-" = [de architect]e
construir = bouwen
la escalera = de trap
la pared = de wand, de muur
el techo = het dak
la puerta = de deur
la puerta de la calle = de voordeur
la llave = de sleutel
cerrar con llave = op slot doen, afsluiten
la ventana = het raam
alquilar = huren, verhuren
el alquiler = De huur
el contrato de alquiler = de huurovereenkomst
vender = verkopen
se vende = te koop
instalar = inrichten, installeren
el ascensor = de lift
la electricidad = de electriciteit
la habitatión, el cuarto = de kamer, het vertrek
el cuarto de estar = de woonkamer
la pieza = de kamer, het vertrek
la mesa = de tafel
en la mesa = op de tafel
"poner la mesa -\"quitar la mesa\"-" = "de tafel dekken -\"de tafel afruimen\"-"
la silla = de stoel
el escritorio = het bureau
la estantería = de boekenkast
el sofá = de sofa
el sillón = de fauteuil
la alfombra = het tapijt
la lámpara = de lamp
la lámpara de pie = de staande lamp
la cocina = de keuken
la nevera = de koelkast
el dormitorio = de slaapkamer
la cama = het bed
la cama de matriomonio = het tweepersoonsbed
dormir (ue) = slapen
el pijama = de pyjama
el cuarto de baño = de badkamer
ir al baño = naar het toilet gaan
la bañera = de badkuip
la ducha = de douche
ducharse = zich douchen
el lavabo = de wasbak
el pasillo = de gang
el jardín = de tuin
la terraza = het terras
el balcón = het balkon
el armario = de kast
el armario ropero = de kledingkast
ordenar = opruimen
el orden = de orde
poner en orden = op orde brengen
limpiar = schoonmaken
limpiar el polvo = (af)stoffen
limpio = schoon
sucio = vies
lavar = wassen
lavar los platos = afwassen
lavarse = zich wassen
lavarse los dientes = tanden poetsen
el jabón = de zeep