Hoofdstuk 13 - Anatomie

Bij methode Spierstelsel aangemaakt op 20-02-2021 door Delissen en inmiddels 384 keer bekeken.

Vragen

antagonisten = spieren met een tegenovergestelde werking
contractie = samentrekking
fascie = peesblad, peesvlies dat de spier omhult
insertio = aanhechting: van de spierpees aan het beweeglijke skeletdeel
musculus = spier
origo = oorsprong: aanhechting van de spierpees aan het niet-beweeglijke skeletdeel
spiertonus = spanningstoestand van een spier
synergisten = spieren die elkaar ondersteunen in hun taak
synovia = gewrichtssmeer
tendo = pees
tendines = pezen
abdomen = buik
bekkenbodemspieren = spieren die de onderkant van de buikholte vormen
musculus levator ani = anusheffer
musculus obliquus externus abdominis = buitenste schuine buikspier
musculus obliquus internus abdominis = binnenste schuine buikspier
musculus rectus abdominis = rechte buikspier
musculus transversus abdominis = dwarse buikspier
bovenste extremiteit = boven- en onderarm
antebrachium = onderarm
brachium = bovenarm
flexoren en extensoren antebrachii = buig- en strekspieren van de onderarm
musculus biceps (brachii) = tweehoofdige armspier, van schouderblad naar spaakbeen (voorkant)
musculus deltoideus = deltaspier, van sleutelbeen naar bovenarm
musculus triceps (brachii) = driehoofdige armspier, van schouderblad en bovenarm naar ellepijp (achterkant)
dorsum = rug
musculus latissimus dorsi = brede rugspier, hecht aan de borst- en lendenwervels
facies = gelaat
mimische spieren = gelaatsspieren
musculus maasseter = wangkauwspier
musculus temporalis = slaapkauwspier
onderste extremiteit = boven- en onderbeen