⦾ alles laten zien ⦿ alles verbergen ⇄ omdraaien ⤨ herhaal moeilijk ⤨ shuffle

Overhoren - Hoofdstuk 2 - Informeren naar de bus - 0

Overhoor jezelf! Bedenk wat het woordje moet zijn en typ het in of klik op . Geef vervolgens eventueel aan of je het goed had met of . Weet je het bijna? Vraag dan een hint met ?. Alles kan ook met het toetsenbord. Typ hiervoor de antwoorden in en gebruik de pijtjes.

Noors Nederlands
Dagen van de week = ... ?
een dag = ... ?
een week = ... ?
maandag = ... ?
dinsdag = ... ?
woensdag = ... ?
vrijdag = ... ?
zaterdag = ... ?
zondag = ... ?
de weg vragen = ... ?
neem me niet kwalijk, waar stopt de bus? = ... ?
waar is de bushalte? = ... ?
de bus stopt naast de winkel = ... ?
de bus stopt bij het ziekenhuis = ... ?
Hoe kom ik daar? = ... ?
je loopt recht door = ... ?
je gaat naar rechts = ... ?
je gaat links = ... ?
hartelijk bedankt = ... ?
hartelijk bedankt = ... ?
de jaargetijden = ... ?
ik fiet's zomers = ... ?
ik ben van plan deze zomer een fietstocht te maken = ... ?
wanneer de lente komt, smelt de sneeuw = ... ?
wanneer de zomer komt, wordt het warm = ... ?
wanneer de herfst komt, wisselen de bomen van kleur = ... ?
wanneer de winter komt, is het jaar bijna voorbij = ... ?
een kopje koffie? = ... ?
wil je een kop koffie? = ... ?
ja, ik wil een kopje koffie = ... ?
heb je zin in een kopje koffie? = ... ?
heb je zin om koffie te drinken? = ... ?
wil je iets drinken? = ... ?
wil je iets eten? = ... ?
alleen, slechts = ... ?
brug = ... ?
gebruiken = ... ?
moeten, behoren = ... ?
bushalte = ... ?
dame = ... ?
daar = ... ?
helaas, jammer = ... ?
daarheen = ... ?
drinken = ... ?
geven = ... ?
graag = ... ?
doen = ... ?
vreugd = ... ?
groen = ... ?
gaan, lopen = ... ?
hebben = ... ?
zin hebben in = ... ?
naar huis = ... ?
vandaag = ... ?
koffie = ... ?
koekje = ... ?
rijden = ... ?
komen = ... ?
kop = ... ?
kunnen = ... ?
cursus = ... ?
laten = ... ?
laten we = ... ?
lezen = ... ?
eten = ... ?
mij = ... ?
maar = ... ?
moeten = ... ?
nu = ... ?
wanneer = ... ?
's zomers = ... ?
ons = ... ?
pen = ... ?
op = ... ?
zien, kijken = ... ?
bord = ... ?
zullen, moeten, ik zal, ik moet = ... ?
praten, spreken = ... ?
eten = ... ?
vragen = ... ?
stoppen = ... ?
fietsen = ... ?
dus = ... ?
tijd = ... ?
naar = ... ?
durven = ... ?
kruispunt = ... ?
willen, ik wil = ... ?
raam = ... ?
weten, ik weet = ... ?
jaar = ... ?

Klaar!