Hoofdstuk 2 - Woordelijst unit 2

Bij methode English in Mind aangemaakt op 20-02-2020 door sara en inmiddels 272 keer bekeken.
Leerjaar: 2

Vragen

archery = boogschieten
disability = handicap
disabled = gehandicapt
discus = discus
distance = afstand
javelin = speer
medallist = medaillewinnaar
sportspeople = sporters
sprint = sprint
to talk = praten
to throw = werpen
athlete = atleet
fastest = snelste
messy = slordig
noisier = luidruchtiger
noisy = luidruchtig
ordinary = gewoon
slower = langzamer
tidier = netter
younger = jonger
badly = slecht
Basketball = basketbal
to blow = blazen
brilliantly = fantastisch
captain = aanvoerder
champion = kampioen
chance = kans
congratulations = gefeliciteerd
draw = gelijk spel / gelijk spelen
gold medal = gouden medaille
proud = trots
referee = scheidsrechter
to rest = rusten
team = team
wheelchair = rolstoel
whistle = fluit
clear = duidelijk
earlier = vroeger
happily = blij
hard = hard
to learn = leren
to run = rennen
to smile = glimlachen
sooner = eerder
to write = schrijven
enthusiastic = enthousiast
goal = doel
himself = hemzelf
honestly = eerlijk
to laugh = lachen
to like = leuk vinden
to matter = belangrijk zijn
to suppose = veronderstellen
to cost = kosten
course = cursus
to forget = vergeten
GCSE = eindexamen
grumpy = humeurig
to improvise = improviseren
injury = blessure
mood = bui
script = script
show = laten zien
workshop = workshop
to score = scoren
score = score
to score a goal = een doelpunt maken
sportsperson = sporter
daydream = dagdromen
direction = richting
to get a surprise = verrast worden
to get an idea = een idee krijgen
to get home = thuiskomen
to get old = oud worden
to get the answer = het antwoord hebben
to get wet = nat worden
hairdersser = kapper
surprise = verrassing